maandag, december 11, 2006

Akagera, Rwanda, Life, The Universe and Everything


Mijn kampeerervaring beperkt zich tot één week Schotland – samen te vatten als koude ravioli, regen en een lekke luchtmatras – en jaarlijks een paar dagen Rock Werchter – samen te vatten als warme spaghetti, regen en een lekke luchtmatras (de jaren dat we er met een mobilhome waren, scheen de zon).


Groot was dan ook mijn verbazing toen ik me gisterennacht onder een ontzagwekkende sterrenhemel bevond bij een knetterend kampvuur op een heuveltop midden in een natuurreservaat aan de grens met Tanzania. Het was oergezellig, we smeerden muggenmelk tot diep in de nacht en probeerden de symfonie van dierengeluiden te overstemmen met sterke verhalen. Alleen vervelend dat het kreupelhout voor het vuur voorzien was van wel erg scherpe doornen, maar mijn gejammer hield het tuig onder de dieren wel op een veilige afstand.Het Akagera National Park is een uitgestrekte lap heuvelachtige savanne (wel veel vlakker dan het centrum en zuiden van Rwanda) rondom het Ihemameer. We stemden onze timing af op zonsondergang en zonsopgang om zodoende feeërieke plaatjes te schieten en op volle kracht te mijmeren. Tel daarbij dat kampvuur en dat sterrenfeest, en je hebt een hoop gemijmer bij elkaar.


Nadat we ons laatste blik gemijmer hadden opengetrokken, was het tijd om onze jeep eens goed uit te testen. We pikten onze gids – Charles voor de dames – op om kwart na zes in de ochtend en gingen op zoek naar de wilde dieren. Giraffen, zebra’s, impala’s, wrattenzwijnen, bavianen, nijlpaarden en vogels van alle merken lieten zich gewillig fotograferen. Maar het gepeupel dat de top van de voedselketen bezet, leeuw en aanverwanten, liet zich niet kijken. Enkel de machtige visarend keek minachtend op ons neer vanop zijn boomtop.



Het park is adembenemend, maar kan qua bevolking niet tippen aan het Hilton onder de natuurparken, het Kruger park in Zuid-Afrika. Daar hebben leeuwen, neushoorns en olifanten bij wijze van spreke gereserveerde parkeerplaatsen. Je kan er haast niet naast kijken. Het Akagera National Park moet het doen met een handvol leeuwen die wel iets beters te doen hebben dan dikke witte buitenlanders entertainen. En de olifanten die af en toe gespot worden, hebben in Tanzania gewoon de verkeerde afrit genomen. Nog een verschil: de wegen. Na zeven uur hobbelen op de achterbank van een 4x4 zijn mijn ingredienten goed gemengd en klaar om in de oven te gaan. Met een gewone sedan kom je hier niet eens binnen.


Wrang detail: Charles wijst plots op menselijke aanwezigheid in het park. Al jaren wordt een deel van het park ingenomen door vluchtelingen, die er hun heil zochten tijdens de angstaanjagende genocide die in 1994 door het land raasde. In het droogste deel van het park wonen mensen al twaalf jaar lang onder plastic zeilen omdat ze nog steeds geen weg terug weten. Ook in het zuiden van Rwanda, net over de grens in Tanzania, verblijven tienduizenden radeloze mensen in erbarmelijke omstandigheden. Iemand van het Rode Kruis vertelt dat Tanzania ze binnenkort prompt de grens zal overzetten, als politieke pasmunt voor steun aan Rwanda’s toetreding tot de Afrikaanse Unie. Dat die mensen niet weten waar ze naartoe moeten, weegt niet door in het debat.

Afgepeigerd rijden we terug naar Kigali, en geven Charles een lift. Charles is een Congolees die al zeven jaar de touwtjes aan elkaar probeert te knopen in Rwanda. Hij vertelt niet waarom hij Congo verlaten heeft, maar de vergeten provinciale conflicten die daar de afgelopen jaren miljoenen (sic) mensen het leven kostten en de daarmee gepaard gaande politieke, sociale en economische chaos zullen er waarschijnlijk iets mee te maken hebben. Charles vraagt me op de man af wat ik denk dat Rwanda nodig heeft om de ellende definitief achter te laten. Volgens hem – en ik kan dat bevestigen – is Rwanda een veilig land dat onder leiding van een harde hand (streng en af en toe rechtvaardig) zijn best doet om de helletocht van het begin van de jaren ’90 te verwerken. De man in de straat is vriendelijk en (te) beleefd tegenover Westerlingen, corruptie beperkt zich tot zakkenvullerij in de hogere kringen (wil het land waar dat niet gebeurt, nu opstaan?) en er zijn initiatieven om het onderwijs en de gezondheidszorg enig niveau te bezorgen. Anderzijds is er nog altijd alomtegenwoordige, sluimerende ongelijkheid (de namen van de etnische partijen zijn hier volledig taboe – en terecht want meer gebaseerd op de koloniale verdeel-en-heerspolitiek van België dan op etnologie).
Daarbij kan het kleine land zonder natuurlijke rijkdommen en weinig vruchtbare landbouwgrond in producerend vermogen onmogelijk concurreren met gigantische buurlanden. En de bevolkingsexplosie die nu volop aan de gang is (een huisgenoot loopt als student geneeskunde stage in een ziekenhuis en helpt aan de lopende band baby’s ter wereld brengen) zal ooit voor een probleem zorgen dat onmogelijk op een humane manier kan opgelost worden. O ja, en AIDS komt hier ook nogal voor. Als ik cynisch ben, kan ik stellen dat al die problemen elkaar eigenlijk opheffen.
Er blijven dus alleen maar positieve dingen over en maar goed ook, want optimisme was nu eenmaal het uitgangspunt van Charles en ik. Ik vertel hem dat ik me geen enkel voorbeeld voor de geest kan halen van een verscheurd land dat zich door andere naties laat zeggen hoe het zijn wederopbouw moet regelen. Een land moet zijn zaken zelf op orde brengen en zich terecht niet laten misleiden door valse vrienden uit Frankrijk, de Verenigde Staten of elders. Buitenlandse investeringen zijn iets anders, dat zou een volgende stap moeten zijn in combinatie met degelijk onderwijs, zodat de mensen die op termijn met een goede opleiding op de markt komen niet als gefrustreerde bananenplukkers moeten scharrelen voor een inkomen. Het klinkt nogal pretentieus en lullig, maar Rwanda wil graag het Zwitserland van Centraal-Afrika worden. Een kenniseconomie met een uitgebouwde industrie- en dienstensector. Daar valt meteen een heleboel op af te dingen, maar ik vertel Charles dat ik met mijn beperkte inzichten vrees dat het kleine, hobbelige land geen andere keus heeft. Eén primair element is er al: stabiliteit (Rwanda heeft nog nooit een oorlog uitgevochten met een buurland, alleen interne conflicten tekenen zijn geschiedenis). Aan al de rest is nog heel veel werk.
Wat wij als muzungu’s daarbij kunnen doen? Alvast niet wat een heleboel christelijke fundamentalistische hansworsten uit de VS komen uitrichten: met hulpgoederen zwaaien, over de bol aaien en in één beweging ook nog eens herkerstenen (het eerste shot van de Vlaamse paters en nonnen lijkt uitgewerkt) om dan binnen onafzienbare tijd weer op te hoepelen en de poort open te laten voor de politieke doctrine: Rwanda als uitvalsbasis voor de rijke ertsvelden in de wijde omtrek. Niet dat landen als België dat ideetje niet in het achterhoofd hebben, zo slim zijn we wel, maar het huidige ontwikkelingswerk concentreert zich tenminste op duurzaamheid: praktijkopleidingen, onderwijs, onderzoek naar verbeterde landbouwtechnieken, enzovoort. Een paar dagen geleden bezochten we een kliniek voor oogheelkunde in Kabgayi, waar de Vlaamse oogarts Stefan De Smedt de fundamenten heeft gelegd voor een succesvolle, landelijke behandeling van de vele oogkwalen die vele Rwandezen machteloos maakt: een geautomatiseerde administratie (benodigdheden: één pc met Access en een kaartenbak) en procedures voor consultaties, behandeling, hospitalisatie, medicatie en nazorg. En de uitvoering is haast volledig in handen van Rwandese medewerkers onder toeziend oog (ha!) van dr. De Smedt. Wat nog ontbreekt is infrastructuur, maar het minuscule deeltje van mijn belastingsgeld dat nu aan ontwikkelingssamenwerking wordt gespendeerd, is daar m.i. goed aan besteed.
Enfin, een lang verhaal om te zeggen dat ik mijn eerste week Rwanda achter de rug heb en dat het land nu al een diepe indruk heeft nagelaten. Als toerist of niet, in Rwanda is veel te zien en te horen. Je mag je ogen uitkijken (als je er tenminste tegen kan dat je zelf een bezienswaardigheid bent – kindjes komen voelen of ik echt ben) en niemand is te beroerd om na een schuchtere kennismaking zijn verhaal te vertellen. Morgen vertrekken we naar Uganda en daar kennenwe voorlopig niemand met een internetverbinding, dus misschien blijft het even stil. Muramukeho!


1 opmerking:

Anoniem zei

Amai, ongelofelijk wat je daar allemaal ziet en beleeft (wat een contrast met mijn huidige bezigheden :))!
Geniet er nog van en doe de groeten aan Elke.

Tot binnenkort!
An